Jezus
Het is verbazingwekkend dat de religieuze gelovige zich nooit afvraagt of de
historische Jezus ooit werkelijk heeft bestaan. De drijfkracht van het
christelijk geloof heeft zoveel invloed op de geest van de gelovige, en zelfs
op die van de apologetische geleerde, dat de kwestie van betrouwbaar bewijs
bedolven raakt onder traditie, religieuze uitvluchten en absurde beweringen.
Het hierna volgende geeft een beknopt overzicht van de claims voor het bestaan
van een historische Jezus, en de redenen waarom deze door de christenen
aangevoerde claims niet kunnen dienen als rechtvaardiging voor betrouwbaar
bewijs van een dergelijke historische Jezus.
Niemand heeft ook maar het geringste
fysieke bewijs gevonden ter ondersteuning van een historische Jezus
ALLE CLAIMS VOOR HET BESTAAN VAN JEZUS
BERUSTEN OP HOREN ZEGGEN
Niemand heeft ook maar het
geringste fysieke bewijs gevonden ter ondersteuning van een historische Jezus;
geen gebruiksvoorwerpen, geen woning, geen timmerwerkstukken of zelf geschreven
manuscripten. Alle beweringen over Jezus komen uit de geschriften van andere
mensen. Geen enkel Romeins document uit die tijd toont aan dat een Pontius
Pilatus een man genaamd Jezus liet executeren. Doorslaggevend voor historici is
dat er geen enkel eigentijds document bestaat dat Jezus zelfs maar noemt. Uit
alle documenten over Jezus blijkt dat hun auteurs deze schreven ver na het
leven van deze veronderstelde Jezus, op gezag van onbekende auteurs, mensen die
Jezus ook nooit ontmoet hadden, of van frauduleuze, mythische of allegorische
geschriften. Hoewel men kan stellen dat veel van deze geschriften op bedrog
berusten, dan wel dat er op een latere datum door anderen teksten zijn
ingevoegd (interpolatie), zullen we van deze informatie en data toch gebruik
maken om aan te tonen dat zelfs als deze bronnen niet op interpolatie zouden
berusten, ze toch niet als betrouwbaar bewijs voor een historische Jezus kunnen
dienen, eenvoudigweg omdat ze berusten op informatie uit horen zeggen.
Horen zeggen, of geruchten,
houdt in dat de informatie van andere mensen komt, niet uit eigen kennis van de
getuige. Rechtbanken accepteren normaal gesproken geen getuigenissen die op
horen zeggen berusten, evenmin als de moderne wetenschap dit doet. Horen zeggen
levert geen bewijs, en dient daarom te worden afgewezen.
Indien u dit niet zou
kunnen begrijpen, stelt u zich dan eens voor dat u aangeklaagd zou worden voor
een misdrijf dat u niet heeft begaan. U hebt er het volste vertrouwen in dat
niemand uw schuld zal kunnen bewijzen, omdat u weet dat er geen enkel bewijs
bestaat voor de aanklacht tegen u. Verbeeldt u zich nu dat u terecht staat voor
een rechtbank die bewijs op basis van horen zeggen accepteert. Wanneer de
aanklager zijn zaak presenteert, beweert iedere getuige dat u de misdaad heeft
begaan, niet omdat ze hier zelf getuige van waren, maar omdat anderen dat
gezegd zouden hebben. Uiteraard verschijnt geen van die anderen om te getuigen,
niemand kan ze zelfs vinden.
Horen zeggen kan niet als
bewijs dienen omdat we niet kunnen weten of de geciteerde persoon liegt, of
zijn informatie baseert op onterecht geloof of vooroordeel. Uit de geschiedenis
over heksenbeproevingen en volksgerichten leren we dat informatie uit horen
zeggen eerlijk noch betrouwbaar is. We weten dat mythologie kan ontstaan uit
ieder soort onbetrouwbare informatie. We leven in een wereld waarin mensen
geloven in demonen, UFO s, geesten of monsters, en talloze fantasieën als feit
worden aangenomen op basis van geloof en horen zeggen.
Het is om deze redenen dat
horen zeggen niet als bewijs kan dienen, en om dezelfde reden moeten we de
hierop gebaseerde claims voor een historische Jezus of ieder ander historisch
persoon afwijzen.
Tegenwoordig kunnen auteurs
over de Oudheid natuurlijk alleen nog over een onderwerp schrijven vanuit
indirecte waarneming, omdat dit onderwerp in een ver verleden ligt. Maar
hedendaagse historici kunnen bronnen citeren die direct op hun onderwerp
betrekking hebben, en op ooggetuigen of voorwerpen. Een historicus die nu
bijvoorbeeld over het leven van George Washington schrijft, kan natuurlijk niet
zelf als ooggetuige dienen, maar hij kan citeren uit documenten die
persoonlijke getuigenissen van die persoon bevatten, of uit die van
ooggetuigen. Geen van de historici die over Jezus schrijven geven betrouwbare
documenten van ooggetuigen aan, dus hebben we slechts te maken met informatie
uit horen zeggen.
DE BIJBELSE EVANGELIËN
De meest gezaghebbende
verslagen over een historische Jezus komen uit de vier canonieke Evangeliën van
de bijbel. Opgemerkt dient te worden dat deze evangeliën niet in de bijbel
opgenomen werden als origineel document en op gezag van de auteurs zelf, maar
hun plaats daarin danken aan de invloed van de vroege kerkvaders, voornamelijk
die van de meest invloedrijke van hen allen: Iraneüs van Lyon, die in het
midden van de tweede eeuw leefde. In die tijd bestonden er vele ketterse
evangeliën, maar Iraneüs wilde daar om mystieke redenen slechts enkele van in
aanmerking nemen. Hij claimde er slechts vier; volgens Romer: als de vier zones
van de wereld, de vier winden, de vier delen van een nalatenschap, en de vier
vormen van de eerste levende schepselen, de leeuw van Markus, het kalf van
Lukas, de man van Mattheüs, de adelaar van Johannes.
Deze vier Evangeliën werden
toen kerkelijk canon voor het orthodoxe geloof. De meeste andere veronderstelde
evangelische geschriften werden verbrand, vernietigd of raakten op andere wijze
verloren. [Romer]
Elaine Pagels schrijft:
'Hoewel de Evangeliën van
het Nieuwe Testament, zoals die welke bij Nag Hamadi ontdekt werden,
toegeschreven worden aan de volgelingen van Jezus, weet niemand wie, en welke,
ze werkelijk heeft geschreven.'
En niet alleen weten we
niet wie ze geschreven hebben, ook moeten we in aanmerking nemen dat geen van
die onbekende auteurs hun evangelie geschreven heeft tijdens het beweerde leven
van Jezus, en dat geen van deze auteurs beweert Jezus ontmoet te hebben tijdens
diens aardse leven. Voeg daaraan toe dat geen van deze originele evangelie
geschriften nog bestaat, zodat we alleen nog maar met kopieën van kopieën te
maken hebben.
Er bestaat overeenstemming
onder de meeste bijbelse historici over de datering van het vroegste evangelie,
dat van Markus, als zijnde van ergens na het jaar 70, en het laatste evangelie
van Johannes als van na het jaar 90. [Pagels, 1995; Helms]. Hieruit blijkt dat
het pas veertig jaar na de beweerde kruisiging van Jezus is, dat hij in enig
evangelie genoemd wordt! Elaine Pagels schrijft dat het eerste christelijke
evangelie waarschijnlijk geschreven werd gedurende het laatste jaar van de
oorlog, of in het jaar dat deze eindigde. Waar het geschreven werd en door wie,
weten we niet; het werk is anoniem, hoewel het traditioneel toegeschreven wordt
aan Markus. [Pagels, 1995]
De traditionele kerk heeft
ons de auteurs voorgesteld als de apostelen Markus, Lukas, Mattheüs en
Johannes, maar geleerden weten uit kritisch tekstonderzoek dat er eenvoudig
geen bewijs voor bestaat dat de evangelie-auteurs de discipelen waren zoals die
in de evangelie verhalen beschreven worden. Maar zelfs nu nog horen we
priesters en voorgangers deze auteurs beschrijven als de werkelijke discipelen
van Christus. Veel bijbels gaan nog steeds door met het benoemen van deze
verhalen als: Het Evangelie volgens Sint Mattheüs, St. Markus, St. Lukas, St.
Johannes. Geen enkele apostel zou zijn eigen heiligheid aankondigen voordat de
kerk heiligverklaringen invoerde. Maar men hoeft zich niet tot geleerden te
wenden om gebrek aan bewijs voor de auteurs aan te tonen. Als een experiment,
probeert u zich de evangeliën voor te stellen zonder hun titels. Probeer nu
eens van de tekst uit te vinden wie ze geschreven heeft; probeer hun namen te
vinden.
Zelfs als deze teksten het
idee zouden ondersteunen dat de apostelen ze schreven, neem dan in aanmerking
dat de gemiddelde levensduur in de eerste eeuw ongeveer 30 jaar bedroeg, en dat
maar weinig mensen de zeventig haalden. Als de apostelen ongeveer in hetzelfde
jaar als Jezus geboren werden, en hun evangeliën pas in hun latere jaren
schreven, dan zou Markus toen minstens zeventig jaar oud zijn geweest, en
Johannes over de 90.
Het evangelie van Markus
vormt het eerste geschreven bijbelse evangelie. En hoewel dat van Markus
bedrieglijk veel lijkt op het Mattheüs evangelie, schreef de onbekende auteur
van Markus zijn evangelie ten minste een generatie voor Mattheüs. Uit de tekst
kunnen we afleiden dat de auteur van Markus Jezus nooit gehoord heeft, noch
gediend heeft als zijn persoonlijke volgeling. Wie dit evangelie ook geschreven
mag hebben, hij accepteerde de mythologie over Jezus onvoorwaardelijk en
schreef een slordige en ongrammaticale weergave van een populair verhaal uit
die dagen. Zorgvuldige bestudering van de Synoptische (Beknopte) Evangeliën
(Mattheüs, Markus en Lukas) toont aan dat Markus diende als gemeenschappelijk
element tussen Mattheüs en Lukas en de belangrijkste bron voor beiden was. Van
de 666 verzen van Markus verschijnen er ongeveer 600 in Mattheüs en ongeveer
300 in Lukas. Volgens Randel Helms staat de auteur van Markus minstens drie
generaties verwijderd van Jezus, en nog waarschijnlijker vier generaties.
[Helms]
De auteur van Mattheüs
heeft klaarblijkelijk zijn informatie uit het evangelie van Markus gekregen, en
voor eigen gebruik benut. Hij goot zijn verhaal in een vorm die meer
overeenkwam met de Joodse traditie en heilige boeken. Hij verbeterde de
grammatica van het evangelie van Markus, corrigeerde wat hij theologisch
belangrijk achtte, en verhoogde de wonderen en magie.
De auteur van Lukas geeft
zelf toe een vertolker van eerder materiaal te zijn, en niet een ooggetuige.
'Nadat reeds velen zich tot
taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich
in ons midden hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door degenen die
vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn
geworden, leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te
gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theophilus,
op schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken
waarin u onderricht bent.' (Lukas 1: 1-4)
De meeste deskundigen
denken dat de auteur van Lukas als niet-jood leefde, of tenminste als een
gehelleniseerde Jood en zelfs mogelijk een vrouw was. Hij (of zij) schreef in
een tijd van spanning in het Romeinse keizerrijk, met wijd verspreide
vervolging. Veel moderne geleerden denken dat de evangeliën van Mattheüs en
Lukas afgeleid werden van het evangelie van Markus, en van een hypothetische
bron genaamd Q (van het Duitse Quelle = bron). [Helms; Wilson]. Echter,
aangezien we geen manuscript afkomstig van Q hebben, kan niemand de auteur
daarvan bepalen, of waar en hoe hij zijn informatie kreeg, of de datum waarop
het geschreven werd. Opnieuw worden we geconfronteerd met onbetrouwbare
methodologie en obscure bronnen.
Johannes, het laatst
verschenen bijbelse evangelie, presenteert ons met lange theologische
verhandelingen van Jezus, maar kan onmogelijk tot ons gekomen zijn als de
letterlijke woorden van de historische Jezus. Het evangelie van Johannes komt
niet overeen met de gebeurtenissen zoals die beschreven worden in Markus,
Mattheüs en Lukas. Bovendien schreef de auteur in het Grieks van het einde van
de eerste eeuw (en mogelijk veel later), en volgens bisschop Shelby Spong bevat
het boek een zeer in het oog springende referentie naar de dood van Johannes
Zebedeüs (Johannes 21:23). [Spong]
We moeten daarom
inzien dat de verhalen op zichzelf niet als ooggetuige verslagen kunnen dienen,
omdat ze het geestesproduct zijn van onbekende auteurs, en niet van de
beschreven personen zelf. De Evangeliën zijn beschrijvende verhalen, vrijwel
geheel in de derde persoonsvorm geschreven. Mensen die zichzelf als ooggetuige
willen beschrijven, zullen zichzelf in de eerste persoonsvorm weergeven, niet
in de derde persoon. Bovendien, veel van de aan Jezus toegeschreven passages
kunnen niets anders zijn dan uitvindingen van de auteurs. Van veel van de
uitspraken van Jezus bijvoorbeeld, wordt beweerd dat hij deze deed terwijl hij
alleen was. Als dat zo was, wie had hem dan gehoord? Hier wordt nog meer nadruk
opgelegd als de evangelisten beschrijven wat Jezus dacht. Aan wie heeft Jezus
zijn gedachten toevertrouwd? Het is duidelijk dat in de evangeliën dezelfde
techniek wordt toegepast als in de werken van schrijvers van fictie. In ieder
geval kunnen de evangeliën alleen dienen, op zijn best, als getuigenis van
horen zeggen, of op zijn slechts, als fictieve, mythologische, of vervalste
verhalen.
VERDERE NIEUWTESTAMENTISCHE GESCHRIFTEN
Zelfs in de Oudheid werd al
door Origen en Eusebius twijfels geuit over de authenticiteit van andere boeken
in het Nieuwe Testament, zoals Hebreeën, Jacobus, Johannes 2 & 3, Petrus 2,
Judas en Openbaringen. Maarten Luther verwierp de brief van Jacobus en noemde
deze waardeloos en een epistel van stro en verder trok hij Judas, Hebreeën en
de Apocalyps in Openbaringen ook in twijfel. Hoe dan ook, alle geschriften in
het Nieuwe Testament ontstonden ver na de dood van de beweerde Jezus, en werden
door onbekende auteurs geschreven (met een mogelijke uitzondering van Paulus,
hoewel ook hier nog steeds geschreven ver na de beweerde dood).
Brieven van Paulus: De
bijbelse brieven van Paulus (epistels) zijn de oudste overgeleverde
christelijke teksten, waarschijnlijk geschreven omstreeks het jaar 60. De
meeste geleerden twijfelen er niet aan dat Paulus sommige daarvan zelf
geschreven heeft. In geen enkel geval echter, in al de geschriften van Paulus,
ontmoet hij ooit of ziet hij een aardse Jezus, noch maakt hij enige referentie
naar het leven van Jezus op aarde. Alle verwijzingen naar een Jezus moeten
daarom van andere gelovigen zijn gekomen, of uit zijn verbeelding. Horen
zeggen, dus.
Brief van Jacobus: Hoewel
het epistel ene Jacobus aanduidt als de briefschrijver, weten we niet welke
Jacobus dit geweest is. Velen beweren dat het de discipel Jacobus is uit de
evangeliën is, maar er worden verscheidene Jacobussen genoemd in de evangeliën.
Ook bestaat de mogelijkheid dat deze brief komt van een van de talloze
Jacobussen buiten de evangeliën. Jacobus was een veelgebruikte naam in de
eerste eeuwen, en we weten eenvoudig niet naar wie deze naam Jacobus wijst.
Maar meer ter zake is het feit dat in het Epistel van Jacobus Jezus slechts
eenmaal genoemd wordt als een introductie tot zijn geloof. Nergens verwijst het
epistel naar een historische Jezus, en dit alleen al elimineert het als
historisch verslag.
Brieven van Johannes: De
epistels van Johannes, het Evangelie van Johannes en Openbaring blijken zo verschillend
van stijl en inhoud te zijn dat ze nauwelijks van dezelfde auteur kunnen komen.
Sommigen suggereren dat deze geschriften van Johannes het werk moeten zijn van
een groep geleerden in Klein-Azie, die de volgelingen van ene Johannes waren,
of dat ze het werk zijn van kerkvaders die tot doel hadden de belangen van de
kerk te bevorderen. Of ze kunnen gewoon het werk zijn van mensen die ook
Johannes heetten, een zeer gangbare naam. Niemand weet het. Ook is het
opmerkelijk dat nergens in de tekst van de drie epistels van Johannes een
Johannes genoemd wordt. En in ieder geval noemen de epistels van Johannes
nergens een aardse Jezus. Dus niet alleen weten we niet wie deze epistels
geschreven heeft, ze verhalen ook weer van horen zeggen.
Brieven van Petrus: Veel
geleerden trekken het auteurschap van Petrus voor deze epistels in twijfel. In
het eerste epistel wordt in 5:12 gezegd dat dit met behulp van Silvanus
geschreven werd. De meeste geleerden beschouwen het tweede epistel als
onbetrouwbaar of als een regelrechte vervalsing (voor enige voorbeelden, zie de
inleiding tot 2 Petrus in de volledige editie van The New Jerusalem Bible,
1985). Samenvattend kunnen we zeggen dat niemand een manier heeft om te bepalen
of de brieven van Petrus bedrog zijn, of dat ze van een onbekende auteur zijn
die ook Petrus heette (ook weer een gebruikelijke naam), of van iemand die de
belangen van de kerk wilde bevorderen.
In de overige boeken en
brieven in de bijbel komen we geen vergezochte beweringen of ooggetuige-verklaringen
voor een historische Jezus meer tegen, zodat ze voor dit betoog verder buiten
beschouwing kunnen blijven.
Voor wat de originele
Nieuwe Testament documenten betreft, deze bestaan niet meer. Geen enkel boek
van het Nieuwe Testament is in de originele versie van zijn auteur
overgeleverd. Wat we dus hebben komt van kopieën, en kopieën van kopieën van
dubieuze originelen (en als de verhalen apart ontstonden, zoals waarschijnlijk
lijkt, heeft er misschien zelfs nooit een origineel van bestaan). De vroegste
kopieën die we hebben zijn van meer dan een eeuw later dan de originele
handschriften, en deze bestaan uit fragmenten op papyrus. [Pritchard; Graham]
Volgens Hugh Schonfield:
'Het moet onmogelijk zijn
enig manuscript van het Nieuwe Testament te vinden ouder dan van het einde van
de derde eeuw, en wat we werkelijk hebben zijn kopieen uit de vierde en vijfde
eeuw.'
LIEGEN VOOR DE KERK
Het bewerken en samenstellen van de
bijbel werd uitgevoerd door leden van de vroege christelijke Kerk. Aangezien de
kerkvaders de teksten in hun bezit hadden en bepaalden wat in de bijbel zou
komen te staan, bestond er meer dan genoeg gelegenheid en motief om teksten te
veranderen of aan te passen, en om teksten te creëren die de positie van de
kerk konden schragen of het aanzien van de leden te verbeteren.
Neem bij voorbeeld
Eusebius, kerkhistoricus en bisschop. Hij had grote invloed in de vroege Kerk,
en hij beval het gebruik van fraude en misleiding openlijk aan, om de belangen
van de Kerk te dienen [Remsberg]. Het eerste voorbeeld van een vermelding van
Jezus door Josephus kwam van Eusebius (geen van de overige vroegere kerkvaders
vermelden dat Josephus Jezus noemde). Het is niet verwonderlijk dat veel
geleerden denken dat Eusebius de geschriften van Josephus interpoleerde. In
zijn Ecclesiastische Historie schrijft hij:
EUSEBIUS
'In deze historie zullen we
voornamelijk alleen die gebeurtenissen introduceren die in de eerste plaats
nuttig zijn voor onszelf, en later voor het nageslacht.' (Deel 8, hoofdstuk 2).
In zijn Praeparatio
Evangelica neemt hij een hoofdstuk op met de titel: 'Hoe het gerechtigd en
opportuun kan zijn om leugens te gebruiken als medicijn, en als baat voor
diegenen die bedrogen willen worden.' (boek 12, hoofdstuk 32).
De Kerk had vroeger nog
zoveel macht, dat het in twijfel trekken van de beweringen van de Kerk zelfs de
dood tot gevolg kon hebben. Onverschillig wat de Kerk ook beweerde, moest het
volk dit aannemen als waarheid. St. Ignatius van Loyola van de zestiende eeuw
schreef zelfs:
'We moeten altijd
bereid zijn te geloven dat wat voor ons wit schijnt te zijn, in werkelijkheid
zwart is, als de kerkelijke hiërarchie aldus besluit.'
De orthodoxe Kerk bestreed
ook concurrerende christelijke culten. Iraneüs, die de keuze van de vier
Evangeliën bepaalde, schreef zijn schandelijke boek: Tegen de Ketterijen.
Volgens Romer:
'Het grote boek van Iraneüs
werd niet alleen de maatlat van de belangrijkste ketterijen en hun
weerleggingen, en de grondslag voor de latere Inquisities, maar door
eenvoudigweg te zeggen wat het christendom niet was werd het ook, in een
curieus omgekeerde manier, de definitie van het orthodoxe geloof.'
In een poging om de bijbel
te redden heeft de gerespecteerde revisionist en wetenschapper Bruce Metzger
uitgebreid geschreven over de problemen met het Nieuwe Testament. In zijn boek:
The Text of the New Testament, Its Transmission, Corruption and Restoration,
somt Metzger op:
'Fouten ontstaan door
slecht zien; fouten ontstaan door slecht horen; fouten van de geest; fouten van
beoordeling; verklaring van historische en geografische problemen; en
wijzigingen wegens aanpassing aan doctrine.'
Met de bekende
onverzoenlijkheid van de Kerk en het bekennen van leugens om bestwil, het
verbranden van ketterse teksten, en de bijbelse fouten en wijzigingen, hoe kan
een oprechte wetenschapper dan nog enig boek van het Nieuwe Testament als
absolute waarheid accepteren? En veel minder nog kunnen buiten de bijbel
voorkomende teksten, die de onverdraagzaamheid en vooringenomenheid van de Kerk
steunen, als betrouwbaar bewijs worden erkend.
GNOSTISCHE EVANGELIËN
In 1945 deed een Arabier in
Egypte de archeologische ontdekking van verscheidene antieke papyrus rollen.
Deze worden sindsdien de Nag Hamadi teksten genoemd. Ze bestaan uit 52 ketterse
boeken in Koptisch schrift, waaronder evangeliën van Thomas, Philip, Jacobus,
Johannes en vele anderen. Archeologen hebben ze gedateerd op ongeveer de jaren
350- 400. Ze zijn kopieën van eerdere kopieën. Geen van de originele teksten
zijn bekend en er bestaat verschil van mening onder wetenschappers over een
mogelijke datering van de originelen.
Sommigen zijn van mening
dat de datering nauwelijks later kan zijn dan de jaren 120-150. Anderen houden
het op dichter bij 140. [Pagels, 1979]
Aangezien de auteurs deze
teksten dus ver na het beweerde leven van Jezus schreven, kunnen ze evenmin als
historisch bewijs voor het leven van Jezus dienen als de canonieke evangelien.
Wederom hebben we te maken met informatie uit horen zeggen, ditmaal uit
ketterse bronnen.
NIET-CHRISTELIJKE BRONNEN
Praktisch alle andere
beweringen over het leven van Jezus stemmen van niet-christelijke bronnen. Maar
ook hier weer komen al die verslagen van de hand van auteurs die leefden na het
beweerde leven van Jezus. Aangezien ze geen tijdgenoten waren van de
hypothetische Jezus, kan geen van deze rapporten dus als ooggetuigenverslag
dienen.
Josephus Flavius, de
Joodse historicus, was de eerste niet-christen die Jezus noemde. De meeste
geleerden zijn echter van mening dat de korte vermelding van Jezus door
Josephus (in Antiquiteiten) een invoeging is die door een latere kerkvader
(waarschijnlijk Eusebius) is bedreven. In ieder geval staat vast dat Josephus
in het jaar 37 geboren is, dus na de beweerde kruisiging, en dat hij
Antiquiteiten schreef in het jaar 93, nadat andere onbekende auteurs hun
evangeliën al geschreven hadden. Daarom, zelfs al zou hij die vermelding zelf
geschreven hebben, kon hij zijn informatie alleen van horen zeggen gekregen
hebben.
Plinius de Jongere, een
Romeinse ambtenaar, geboren in 62, schreef ver na het leven van de
veronderstelde Jezus. Zijn brief over de christenen toont alleen aan dat hij
zijn informatie kreeg van christelijke gelovigen zelf. Niettemin plaatst zijn
geboortedatum hem buiten bereik voor een ooggetuigenverslag.
Tacitus, de Romeinse
historicus, werd geboren in het jaar 64, wederom ver na het leven van de
beweerde Jezus. Hij geeft een korte vermelding van een Christus in zijn Annalen
(Boek XV, sec. 44) die hij ongeveer in het jaar 109 schreef. Hij geeft geen
bron aan voor zijn materiaal. Hoewel er veel dispuut bestaat over de
authenticiteit van de vermelding van Jezus door Tacitus, volstaat het simpele
feit dat zijn geboorte plaatsvond na het veronderstelde leven van Jezus. De
Annalen, die geschreven werden ten tijde van de formatie van het christendom,
geven ons dus opnieuw informatie uit horen zeggen.
Suetonius, een andere
Romeinse historicus, geboren in het jaar 69, noemt een Chrestus in zijn
geschriften, een gangbare naam in die tijd. Apologeten nemen aan dat Chrestus
de betekenis heeft van: Christus. Maar zelfs als Suetonius Christus bedoeld
had, zegt dat nog steeds niets over een aardse Jezus. Net als alle anderen,
vond de geboorte van Suetonius plaats na het leven van de beweerde Jezus.
Alweer, horen zeggen.
Talmud: Het is
verbazingwekkend dat sommige christenen zelfs korte delen uit de Talmud (een
verzameling van Joodse burgerlijke en religieuze wetten, inclusief commentaar
op de Thora) als bewijs willen gebruiken voor het bestaan van Jezus. Ze beweren
dat met Yeshu (een veel voorkomende naam in joodse literatuur) in de Talmud,
Jezus bedoeld wordt. Met deze Jezus echter, wordt volgens Gerald Massey, een
discipel van Jehoshua Ben-Perachia aangeduid, die minstens een eeuw voor de
veronderstelde christelijke Jezus leefde. [Massey]
Maar onverschillig hoe men
dit ook wil verklaren, de Palestijnse Talmud ontstond tussen de derde en de
vijfde eeuw, en de Babylonische Talmud tussen de derde en de zesde eeuw, dus
minstens twee eeuwen na de veronderstelde kruisiging! Op zijn best kan deze
tekst alleen dienen als controversiële christelijke en heidense legende; ze kan
met geen mogelijkheid dienen als gezaghebbend bewijs voor het bestaan van een
historische Jezus.
Christenen noemen de
bovengenoemde auteurs als de meest gezaghebbende bronnen van bewijs voor het
bestaan van Jezus. In aanmerking nemende dat geen van hen leefde gedurende de
beweerde levensloop van Jezus, plaatst dit wel erg grote vraagtekens bij de
betrouwbaarheid van de resultaten van christelijk historisch onderzoek. Alle
overige bronnen (christelijke en niet-christelijke) zijn ook van ver na het
beweerde leven van Jezus. Om er nog enkele te noemen: Mara Bar-Serapion (ca.
73), Ignatius (50 - 98?), Polycarpus (69 -155), Clemens I (? - ca.160),
Justinus de Martelaar (100 -165), Lucianus (ca.125 -180), Tertullianus (160 -
?), Clemens van Alexandrie (? - 215), Origen (185 -232), Hippolytus (? - 236),
en Cyprianus (? - 254). Geen van hen kan een ooggetuigenverslag leveren, allen
verkondigen ze informatie uit horen zeggen.
Zoals we zien brengen
christelijke apologeten zichzelf in verlegenheid doordat zij, hetzij onwetend
dan wel opzettelijk misleidend, de grondregels van historisch onderzoek
overtreden, door geschriften die na de gebeurtenis zijn ontstaan te gebruiken
als bewijs voor de gebeurtenis zelf. Want geen van die schrijvers noemt een
bron, of staaft zijn bevindingen met bewijsmateriaal over Jezus. Hoewel we
talloze redenen kunnen geven waarom de christelijke en de niet-christelijke
bronnen vals blijken te zijn, kunnen we de discussie eenvoudig beslechten door
naar de data van de documenten en de geboortedata van de auteurs te kijken. Het
maakt niets uit wat deze mensen over Jezus schreven, iedere auteur die schrijft
ver na de gebeurtenis en geen controleerbare bronnen voor zijn materiaal
overlegt, kan alleen een voorbeeld van horen zeggen leveren. Alle latere
geschriften over Jezus zullen eenvoudig zijn ontstaan uit geloof en uit
verhalen van christelijke gelovigen.
FRAUDE EN FICTIE
Omdat de religieuze geest
steunt op geloof en vertrouwen, zal een gelovige persoon sterk afhankelijk zijn
van alle informatie die dat geloof ondersteunt, met inbegrip van frauduleuze
verhalen, geruchten, onbetrouwbare gegevens en fictie. Hij of zij zal er geen
behoefte aan voelen die bronnen te controleren, of de betrouwbaarheid van die
informatie te onderzoeken. Hoewel er honderden frauduleuze claims bestaan over
artefacten van Jezus, zullen we er hier slechts drie voorbeelden van geven,
voorbeelden waarover de verhalen een leven op zichzelf zijn gaan leiden en die
zich door de religieuze gemeenschap verspreid hebben, vooral in discussiefora
op Internet.
DE LIJKWADE VAN TURIJN
Veel gelovigen geloven nog
steeds dat de lijkwade de werkelijke grafwikkel van Jezus is, en dat het beeld
op dit doek een werkelijke fotografische afbeelding van het gekruisigde lichaam
weergeeft.
FRAGMENT VAN DE ZG. LIJKWADE VAN TURIJN
De eerste vermelding van de
lijkwade komt voor in een verhandeling (geschreven of gedicteerd) door Geoffroi
de Charny in 1365, die beweert in bezit van het doek te zijn geweest. (zie: Het
boek van ridderlijkheid door Geoffroi de Charny). Later, in de zestiende eeuw,
kwam het plotseling te voorschijn in een kathedraal in Turijn, Italië. Het is
opmerkelijk dat er destijds duizenden zogenaamde Jezus relikwieën te voorschijn
kwamen in kathedralen door geheel Europa, inclusief hout van het kruis, kelken,
bloed van Jezus, etc. Deze artefacten werden erg populair en vormden zo een
winstgevend commercieel middel om de schatkist van de kerken te vullen.
Het is bedroevend dat zo
veel mensen in goed vertrouwen geloven dat er ook werkelijk wetenschappelijk
bewijs bestaat dat hun geloof in de authenticiteit van de lijkwade kan
bevestigen. Als we zien hoe de apologeten woorden als wetenschap, feit, en
authentiek gebruiken, en zelfs pseudo-wetenschappers aanhalen (zonder het
voorvoegsel pseudo- te noemen) om hun conclusies te rechtvaardigen, is het niet
verwonderlijk dat gelovigen hun informatie niet in twijfel trekken, noch hun
motieven. Er zijn zelfs verscheidene tv-specials verschenen die ten doel hadden
de authenticiteit van de lijkwade te bevestigen. De wetenschap maakt echter
geen gebruik van tv-specials met commerciële belangen, die er geen been in zien
het publiek te misleiden.
Experts uit de gehele
wereld beschouwen de ruim vier meter lange linnen doek, die in de kathedraal
van Turijn bewaard is gebleven sinds 1578, als een vervalsing, als resultaat
van koolstofdaterings-onderzoek dat in 1988 werd uitgevoerd. Drie verschillende
onafhankelijke onderzoekslaboratoria die gespecialiseerd zijn in radiocarbon
datering in Zurich, Oxford en de universiteit van Arizona leverden een
datumbereik op van 1260-1390 (overeenkomend met de tijdsperiode van het door
Charny beweerde bezit).
Joe Zias van de Hebreeuwse
Universiteit van Jeruzalem noemt de lijkwade een onbetwistbare vervalsing. Hij
zegt:
'Het is niet alleen een
vervalsing, het is ook een slechte vervalsing. De lijkwade geeft zelfs een
afbeelding weer van een man die aan de voorkant 5 cm langer was dan op zijn
rug, en waarvan de langgerekte handen en armen zouden duiden op de aandoening
van gigantisme, als hij werkelijk geleefd zou hebben.'
Walter C. McCrone en vele
anderen (zie: Judgment Day for the Shroud of Turin) ontdekten rode oker op het
doek (een kleurstof die in de aarde wordt gevonden en op grote schaal gebruikt
werd in middeleeuws Italië), waarmee de afbeelding van het lichaam was
aangebracht, en vermiljoen verf, gemaakt van kwiksulfide, die gebruikt was om
bloed na te bootsen. De wetenschappelijke onderzoeksresultaten verraden dat we
hier te maken hebben met een veertiende-eeuws schilderij, niet een tweeduizend
jaar oud doek met de afbeelding van Christus. Het is opmerkelijk dat geen
bijbelse wetenschapper of onderzoeker met enig gezag de lijkwade van Turijn
noemt als bewijs voor het bestaan van een historische Jezus.
DE SARCOFAAG VAN JACOBUS
Zelfs veel gezaghebbende
theologen vielen ten prooi aan dit bedrog. Het tijdschrift Biblical Archaeology
Review van november/december 2002 kondigde in een wereld exclusief! artikel
aan, over bewijs voor Jezus te beschikken, in steen gegraveerd, en beweerde dat
ze de sarcofaag van Jacobus, broer van Jezus, in Jeruzalem gevonden hadden. Het
bericht verwekte enorme ophef in het nieuws en verscheen wereldwijd op
televisie en in de kranten.
Het is opmerkelijk dat deze
vondst beschreven werd als de vroegste historische referentie naar Jezus die
tot nu toe gevonden werd.
Aangezien de deskundigen
beweerden dat een onbekende persoon de inscriptie rond het jaar 70 in de
sarcofaag gegrift moet hebben, zou dit overeenkomen met alles wat in deze
scriptie naar voren wordt gebracht, namelijk dat er geen eigentijds bewijs
bestaat voor Jezus. Zelfs al zou de inscriptie authentiek zijn, zou dit nog
geen bewijs voor het bestaan van een Jezus zijn, eenvoudigweg omdat niemand
wist wie deze inscriptie had aangebracht en waarom. Het zou slechts de vroegste
indirecte verwijzing naar een beweerde Jezus kunnen zijn en kan zelfs dan nog
niet als eigentijds bewijsstuk gelden, omdat het lang na de veronderstelde dood
van Jezus werd aangebracht.
De claim voor
authenticiteit van de sarcofaag van Jacobus bleek later echter zeer pijnlijk
voor de Biblical Archaelogy Review en iedereen die daaraan geloof had gehecht.
Slechts een paar maanden later ontdekten archeologen namelijk al dat men hier
met een vervalsing te maken had, en nog wel een heel duidelijke vervalsing. Zij
vonden de vervalser en hij werd gearresteerd.
Helaas heeft het nieuws
over die fraude nooit zoveel ophef in het nieuws veroorzaakt als de opwinding
over de vondst destijds, en zodoende geloven nog steeds veel mensen dat dit
verhaal waar is.
BRIEVEN VAN PONTIUS PILATUS
Dit geval zou hoogst
amusant genoemd kunnen worden, ware het niet voor de tragische gevolgen die het
geloven in fictie teweeg kan brengen; veel gelovigen (vooral op het Internet)
zijn er van overtuigd dat Pontius Pilatus werkelijk brieven schreef aan Seneca
in Rome, waarin hij Jezus noemde en over diens gerapporteerde miraculeuze
genezingen schreef.
Het gebrek aan
onderzoekingsdrift van de religieuze geest latend voor wat het is, zal het voor
de kritische lezer interessant zijn te vernemen dat de belangrijkste bron voor
de brieven van Pilatus een boek van W.P. Crozier uit 1928 is, getiteld Letters
of Pontius Pilate: Written During His Governorship of Judea to His Friend
Seneca in Rome. Het boek noemt Crozier als de redacteur, alsof hij een
wetenschapper zou zijn die de brieven van Pilatus verzameld heeft en becommentarieert.
Wel, uit de titel zouden we mogen afleiden dat Pilatus brieven geschreven
heeft, of niet? Het is echter zo dat, onbekend of veronachtzaamd door de
onkritische gelovige, dit boek de eerste roman van Crozier was, een fictief
verslag van wat de schrijver zich voorstelde dat Pilatus geschreven zou kunnen
hebben.
Bij verschijning van de
eerste uitgave dacht niemand dat deze roman echte feiten beschreef, en
boekbesprekingen uit die dagen beschreven het als een werk van fictie.
Crozier, een krantenredacteur,
studeerde aan de Universiteit van Oxford en hield daaraan een interesse voor
het Latijn, Grieks en de bijbel over. Hij schreef deze roman alsof het een
weergave was van werkelijke brieven van Pilatus. Natuurlijk zal geen enkele
wetenschapper dit werk citeren als bewijs omdat er geen brieven bestaan van
Pilatus aan Seneca, en Seneca Jezus nooit genoemd heeft in enige van zijn
geschriften.
Het geloof in de brieven
van Pilatus vertegenwoordigt een van de meer amusante hype-geloven in bewijs
voor Jezus, maar het toont ook aan hoe mythen, bedrog en fictie hun plaats
kunnen vinden in een religieuze overtuiging. Over een paar eeuwen kan Croziers
roman wel eens net zo een betrouwbaar bewijs zijn geworden als de evangeliën.
MAAR WERD ER IETS GESCHREVEN OVER JEZUS
TIJDENS DIENS LEVEN?
Het meest veelzeggende van
alles is niet wat later over Jezus geschreven werd, maar wat men destijds niet
over hem geschreven heeft. Bedenk dat geen enkele historicus, filosoof,
schriftgeleerde of volgeling die tijdens het beweerde bestaan van Jezus leefde,
hem ooit genoemd heeft.
Als de Evangeliën inderdaad
een historisch portret zouden tekenen van het leven van Jezus, dan komt uit
deze verhalen een gegeven prominent te voorschijn, en dat is dat Jezus wijd en
zijd beroemd was, niet alleen bij een menigte aan volgelingen, maar ook bij de
voornaamste priesters, de Romeinse gouverneur Pilatus, en Herodus die beweert
gehoord te hebben van de roem van Jezus.
'En grote groepen mensen
volgden hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied
aan de overkant van de Jordaan.' In die tijd hoorde ook Herodus, de tetrarch,
over Jezus vertellen.' (Mattheüs 14:1)
De evangeliën noemen
herhaaldelijk de grote mensenmenigten die Jezus volgde, en de grote
gezelschappen die zich verzamelden om hem te horen.
'Maar het nieuws over hem
verspreidde zich juist verder, en grote mensenmassa's verzamelden zich om naar
hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen.' (Lukas 5:15)
'Intussen had er zich een enorme menigte
verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn
leerlingen: Hoed je voor de zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van de
Farizeeën.' (Lukas 12:1)
En volgens de bijbel trok
de aanklacht tegen Jezus in Jeruzalem zo veel aandacht dat al de belangrijkste
priesters en schriftgeleerden, inclusief de hogepriester Kajafas hem niet
alleen kenden, maar zelfs meehielpen in zijn beweerde kruisiging.
'Toen hij naar de tempel
was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van
het volk naar hem toe. Ze vroegen hem: Op grond van welke bevoegdheid doet u
die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?' (Mattheüs 21:23)
'Ondertussen kwamen de
hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de
hogepriester, Kajafas. Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een
list gevangen te nemen en hem te doden.' (Mattheüs 26:3 - 4)
'Dagelijks gaf hij onderricht in
de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk
wilden hem uit de weg ruimen, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want
het hele volk hing aan zijn lippen.' (Lukas 19:47-48)
'Pilatus riep de hogepriesters en
de leiders en het volk bij zich en zei tegen hen: U hebt die man voor mij
gebracht als iemand die het volk van het rechte pad af brengt, maar u weet dat
ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u
hem beticht schuldig heb bevonden. En Herodes evenmin, hij heeft hem immers
naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat.'
(Lukas 23:13-15)
De overgrote meerderheid
van het volk hield Jezus niet alleen voor leraar en wondergenezer, maar ook
voor profeet.
'En hoewel hij hem wilde
doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet
hield.' (Mattheüs 14:5)
Dus hier hebben we de
Evangeliën die ons voorhouden dat Jezus wijd en zijd beroemd was, bekend als
profeet en genezer, met grote menigten van mensen die hem kenden, inclusief de
voornaamste Joodse hogepriesters en de Romeinse autoriteiten van dat gebied, en
niet één persoon legt zijn bestaan vast tijdens zijn leven? Als de armen, de
rijken, de regeerders, de hoogste priesters en de schriftgeleerden wisten van
Jezus, wie zou dan niet van hem gehoord hebben?
En dan hebben we nog een
bijzondere astronomische gebeurtenis die de aandacht getrokken moet hebben van
iedereen die geïnteresseerd was in hemelse verschijnselen.
'Rond het middaguur werd
het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie
uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden.' (Lukas
23:44-45)
Toch bestaat er geen enkele vermelding
van een drie uur durende eclips door wie dan ook, inclusief astronomen en
astrologen, waar ook ter wereld. Noch schrijft enig persoon uit die tijd over
de aardschok waarover Mattheüs bericht:
'Op dat moment scheurde in
de tempel het voorhangsel van boven tot onder in twee, en de aarde beefde en de
rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven
heiligen werden tot leven gewekt; na Jezus opstanding kwamen ze uit de graven,
gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal
mensen. Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving
voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen
en zeiden: Hij was werkelijk Gods Zoon.' (Mattheüs 27:51-54)
Mattheüs 2 beschrijft hoe
Herodus en zijn kring in Jeruzalem zich zorgen maakten over de verering van de
zuigeling Jezus. Herodus liet toen alle zuigelingen van Bethlehem afslachten. Als
een dergelijke grootschalige kindermoord zou hebben plaatsgevonden, waarom
schreef niemand daar dan iets over?
Sommige apologeten proberen
zich aan dit probleem te ontworstelen door te stellen dat er in die tijd geen
capabele historici leefden, of dat er door gebrek aan onderwijs te weinig
mensen konden schrijven, of nog armzaliger, dat de schaarste aan papier mensen
ervan weerhield over hun Verlosser te schrijven. Maar in feite was het gebied
in en rondom Jeruzalem destijds het centrum van onderwijs en administratie voor
het Joodse volk. En natuurlijk hielden ook de Romeinse heersers hun
administratie bij. Bovendien noemen de evangeliën vaak de schriftgeleerden,
niet alleen als volgelingen van Jezus, maar ook in samenwerking met de
hogepriesters. En wat historici betreft, die bestonden er destijds genoeg,
mensen die de capaciteit en de gelegenheid hadden om niet alleen onbelangrijke
nieuwtjes, maar ook belangrijke gebeurtenissen vast te leggen, vooral
gebeurtenissen die betrekking zouden hebben op een religieuze sekte die zoveel
populaire aandacht trok met een beroemde (of beruchte) Jezus.
Neem bijvoorbeeld de werken
van Philo Judaeüs (20 v.C-50). Tijdens zijn leven gold hij als de grootste
Joods-Hellenistische filosoof en historicus van die tijd, en bovendien woonde
hij in het gebied rond Jeruzalem tijdens het beweerde leven van Jezus. Hij
schreef gedetailleerde verslagen over de Joodse gebeurtenissen in dat gebied.
Toch vinden we nergens in zijn omvangrijke geschreven volumes, ook maar een
vermelding over een Jezus Christus. Noch vinden we enige vermelding van een
Jezus in de geschriften van Seneca (4 v.C-65), noch in die van de historicus
Plinius de Oudere (23-79).
Als er werkelijk zulk een
beroemde Jezus heeft bestaan als de Evangeliën beweren, vindt de lezer het dan
niet redelijk te mogen veronderstellen dat er op zijn minst iets over deze
figuur het oor van zijn tijdgenoten bereikt moet hebben?
Het is verbazingwekkend dat
we niet een Joodse, Griekse of Romeinse schrijver vinden, zelfs niet onder
diegenen die in het Midden-Oosten woonden, die hem ooit noemden gedurende zijn
veronderstelde levensperiode. Dit lijkt toch wel buitengewoon uitzonderlijk, en
u zult maar weinig christelijke apologeten vinden die dit beschamende feit
durven te vermelden.
Om de buitengewone
afwezigheid van literatuur over Jezus verder te illustreren, stelt u zich eens
voor dat u in de negentiende-eeuwse literatuur zou gaan zoeken naar gegevens
over ene Abraham Lincoln, maar dat u daar geen enkele vermelding over hem zou
aantreffen, niet eerder dan in de twintigste eeuw. Toch willen christelijke
apologeten en historici u doen geloven in een feitelijke Jezus, ondanks een
overstelpend gebrek aan enig bewijs, en vertrouwen ze daarbij op niets meer dan
informatie bij geruchte, geschreven lang na dit veronderstelde leven. Als we
het feit in aanmerking nemen dat de meeste christenen geloven dat Jezus als God
op aarde leefde, dan geeft de Almachtige wel een armzalig voorbeeld voor een
verklaring voor zijn bestaan. Je zou mogen veronderstellen dat een Schepper op
zijn minst de vaardigheid zou moeten hebben om solide bewijs te creëren.
HISTORICI
We hebben talloze problemen
met de betrouwbaarheid van antieke historici zoals Josephus, Tacitus, etc. De
meeste van hen overlegden geen bewijzen voor hun claims, daar ze maar zelden
bibliografische vermeldingen noemden, of ondersteunende claims. Zij beschikten
niet over moderne wetenschappelijke technieken, en hadden er geen bezwaar tegen
om informatie van horen zeggen als bewijs op te voeren. Tegenwoordig zou
niemand een wetenschapper nog serieus nemen, als hij werkte volgens de
standaard van de antieke historici. Toch moeten deze anachronistische verslagen
van geruchten dienen als het enige bewijs waarop de christelijke wetenschap steunt.
Voeg daaraan toe het feit dat veel historici zelf christelijke gelovigen waren,
soms zelfs leden van de gevestigde Kerk, en u krijgt een ingebouwde voorkeur
voor de steun voor een echte Jezus.
In de moderne wetenschap
kunnen zelfs de beste historici en christelijke apologeten alleen die
documenten gebruiken die tot hun beschikking staan. En als ze alleen maar over
verslagen van geruchten beschikken, worden ze gedwongen die kaarten spelen die
de geschiedenis hen heeft toebedeeld. Veel historici voelen zich verplicht om
gebruik te maken van interpolaties of gissingen op grond van geruchten, en toch
vindt deze zeer dubieuze informatie soms vermelding als feit in een
encyclopedie of geschiedenisboek.
In andere woorden, de
bijbelse wetenschap wordt tot een lager niveau gedwongen door de beperkingen
van de onderzochte bronnen zelf. Dit werd duidelijk geïllustreerd in een
interview met een erkende bijbelse wetenschapper, David Noel Freeman,
hoofdredacteur van de Anchor Bible Series en vele andere werken. Een
interviewer vroeg hem iets over bijbelse interpretatie. Freeman antwoordde:
'We moeten wat lossere
standaarden accepteren. In de legale professie, om een aangeklaagde voor een
misdaad te veroordelen, vereist men onbetwistbaar bewijs. In civiele procedures
is een overwicht aan bewijs voldoende. Wanneer we met de bijbel of andere
antieke bronnen te maken krijgen, moeten we daar wat losser mee omgaan; anders
kun je daar eigenlijk niets over zeggen.'
David Noel Freeman (in het
Bible Review Magazine van december, 1993, blz. 34):
'De logische conclusie ligt voor
de hand. Indien men wenst te geloven in een historische Jezus, moet men zijn
bestaan accepteren op grond van een zeer vage standaard. Samengevoegd met het
feit dat alle claims slechts op geruchten berusten, hebben we hier te maken met
een luchtkasteel gebouwd op een fundering van los zand.'
HET OPVOEREN VAN BESTAANDE LOCATIES EN
HISTORISCHE FIGUREN ALS BEWIJS
Hoewel in het Nieuwe
Testament verscheidene steden, landstreken of koningen en andere personen
opgevoerd worden die werkelijk bestonden of leefden ten tijde van het beweerde
leven van Jezus, kunnen deze beschrijvingen evenmin voor bewijs van zijn leven
dienen als andere werken van fictie die herkenbare plaatsen bevatten, of
werkelijke personen noemen.
De Odyssee van Homerus
beschrijft bijvoorbeeld de reizen van Odysseus langs de Griekse eilanden. Het
epos beschrijft in detail veel historische plaatsen die nu nog bestaan. Maar
moeten we daarom Odysseus, de Griekse goden en godinnen, de cyclopen en andere
monsters als werkelijkheid aannemen, eenvoudig omdat het verhaal die plaatsen
accuraat beschrijft? Natuurlijk niet. Mythen, verdichtsels en verhalen
gebruiken bijna altijd bekende landschappen als locaties voor hun verhalen.
Niet alleen situeerden de auteurs van de Griekse tragedies hun verhalen in
geloofwaardige omlijstingen, maar ze schreven hun bovennatuurlijke karakters
ook de wensen, tekortkomingen en mislukkingen van menselijke stervelingen toe.
In de Evangeliën worden
steden en locaties in Judea genoemd, en bekende historische figuren, met een
Jezus die zich als een menselijk wezen gedraagt (plus nog wat toegevoegde
waarde als bovennatuurlijke vervloekingen, wonderen etc.), maar om dezelfde
reden zegt dit nog niets over de realiteit van de beschreven figuren. Maar
wanneer een verhaal onmogelijke historische locaties gebruikt, of geografische
fouten maakt, moet er een alarmsein afgaan in de geest van de lezer;
historische integriteit vereist dat we dan het gezag van de claims in twijfel
moeten trekken.
'De duivel nam hem opnieuw
mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld
in al hun pracht.' (Mattheüs 4:8)
Aangezien er geen plaats op
onze bolvormige aarde bestaat vanwaar alle koninkrijken gezien kunnen worden,
weten we dat de bijbel hier in de fout gaat.
'Zij gingen naar Filippus
uit Betsaida in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten.'
(Johannes 12:21)
We weten dat Bethsaïda in
het Golan district lag, ten oosten van de Jordaan, niet in Galilea aan de
westkant van de rivier.
'Johannes doopte toen ook,
in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe
om zich te laten dopen.' (Johannes 3:23)
Experts zijn het er over
eens dat er geen plaats Enon dicht bij Salim bestaan heeft.
Verder heeft ook niemand
maar het geringste bewijs voor het bestaan van een stad genaamd Nazareth ten
tijde van de beweerde Jezus. [Leedom; Gauvin]. Nazareth komt in het Oude
Testament niet voor, noch verschijnt het in de geschriften van Josephus, hoewel
deze zelfs een gedetailleerde lijst weergeeft van de steden in Gallilea. Vreemd
genoeg noemt ook geen van de schrijvers van de epistels in het Nieuwe Testament
ooit Nazareth of Jezus van Nazareth, ofschoon de meeste epistels geschreven
werden voor de evangeliën. In feite noemt niemand Nazareth tot aan de
Evangeliën toe, waarvan de eerste pas geschreven werd veertig jaar na de
hypothetische dood van Jezus. Apologeten proberen dit dilemma weg te moffelen door
te beweren dat Nazareth bestond als een klein onbeduidend dorp, gemakkelijk
over het hoofd te zien (hoe zouden zij dat dan moeten weten?) en dat het daarom
niet in de annalen voor kwam. Maar wanneer de Evangeliën over Nazareth spreken,
wordt het altijd stad genoemd, nooit een dorp, en een historicus zou een stad
zeker opgemerkt hebben. Als er een stad met de naam Nazareth bestaan zou hebben
in de eerste eeuw van onze jaartelling,moeten we daarvoor ten minste een stukje
eigentijds bewijs hebben, anders kunnen we niet van een betrouwbaar historisch
gegeven spreken.
Er staan veel meer fouten
en onbewezen geografische locaties in het Nieuwe Testament. En hoewel we deze
niet kunnen aanvoeren als bewijzen tegen een historische Jezus, kunnen we zeker
de betrouwbaarheid van de tekst betwijfelen. Als de bijbel zo veel feitelijke
fouten van geografie en wetenschap kan maken, en zoveel tegenstrijdigheden
bevat, kan bedrog op ieder terrein voorkomen.
Als er een connectie met
historische plaatsen en mensen zou bestaan, dan zou daaruit ook een historisch
verband tussen Jezus en deze locaties en mensen gevonden moeten worden. Maar
juist het tegengestelde blijkt het geval te zijn. De bijbel vertelt ons dat
Herodus, regeerder van Joods Palestina onder Rome, mannen uitzond om de baby
Jezus op te sporen en doden, maar niets in de historische gegevens steunt zo'n
verhaal. Pontius Pilatus wordt verondersteld als rechter te zijn opgetreden in
het proces tegen Jezus dat tot diens executie leidde, maar dat proces wordt niet
in de Romeinse administratie weergegeven. De evangeliën spreken van een menigte
van gelovigen door het gehele land, die verhalen over een leraar, profeet en
genezer verspreidden, maar toch beschrijft niemand zo een bekend figuur tijdens
het leven van Jezus, of in de tientallen jaren daarna. De afwezigheid van een
historische Jezus in de erkende historische literatuur spreekt voor zichzelf.
EEN VERGELIJKING TUSSEN JEZUS EN ANDERE
HISTORISCHE FIGUREN
Veel christelijke
apologeten proberen zichzelf te ontworstelen aan hun gebrek aan bewijs, door te
beweren dat als we niet op de bijbelse uitleg van voorbije gebeurtenissen
zouden kunnen vertrouwen, we dan ook niet een historische basis kunnen leggen
voor figuren als Socrates, Alexander de Grote, Napoleon, etc. Er bestaat echter
een enorm verschil tussen historische figuren en Jezus. We hebben hetzij
artefacten, geschriften, dan wel ooggetuige-verklaringen voor historische
figuren, terwijl we daarentegen voor Jezus helemaal niets hebben.
ALEXANDER DE GROTE (356-323 VC.)
Alexander bijvoorbeeld liet
een spoor van vernielde en gecreëerde steden na. We hebben gebouwen,
bibliotheken en steden, zoals Alexandrië, overgeleverd gekregen in zijn naam.
We hebben verdragen, zelfs een brief van Alexander aan het volk van Chios, in
steen gegraveerd, waarvan de datum is vastgesteld op 332 v.C. Voor Socrates
hebben we de ooggetuige verslagen van Plato, die zijn filosofie en levensloop
beschrijven. Napoleon liet artefacten, ooggetuige verslagen en brieven na. We
kunnen enige authenticiteit voor het historische bestaan van deze figuren
vaststellen, omdat we bewijzen over hen hebben, verkregen tijdens hun leven.
Maar ondanks het bezit van eigentijdse bewijzen, zijn historici zeer behoedzaam
geworden met verhalen achteraf over historische figuren. Sommige van de
verhalen over de veroveringen van Alexander bijvoorbeeld, of over Nero die Rome
in brand liet steken, worden altijd betwijfeld omdat ze tegenstrijdigheden
bevatten of van auteurs komen die jaren na de beweerde feiten schreven. In de
kwalificatie van zijn geschiedenis van Alexander schrijft Pierre Briant:
'Hoewel meer dan twintig van zijn tijdgenoten kronieken over het leven
Alexander en zijn veldtochten schreven, zijn geen van deze teksten in de
originele vorm aan ons overgeleverd. Veel brieven en toespraken die aan
Alexander toegeschreven worden, zijn antieke vervalsingen of reconstructies,
die door verbeelding of politieke motieven waren geïnspireerd. Het weinige aan
betrouwbare gegevens uit Alexanders eigen tijd waarover we beschikken, wordt
voornamelijk gevormd door inscripties in steen in de Griekse steden van Europa
en Azië.' [Briant]
Het van A tot Z verzinnen
van hele verhalen, dan wel het aankleden en versieren van een snipper van een
feitelijke historische gebeurtenis blijkt regelmatig voor te komen in de hele
kroniek van de menselijke geest. Robert Price merkt op: 'Alexander de Grote,
Caesar Augustus, Cyrus, Koning Arthur en vele anderen werden door dit lot
getroffen. Wat historici er van weerhoudt hen af te doen als simpele mythen,
zoal Paul Bunyan, is dat er toch een restje overblijft. We hebben toch in ieder
geval enige wereldse informatie over hen, misschien maar een heel klein beetje,
maar dat vormt dan toch geen deel van enige legende.' [Price, pag. 206-261]
Opmerkelijk is ook dat we
van bijna alle belangrijke historische figuren beschrijvingen hebben van hun
uiterlijk. Plato beschreef hoe Socrates er uitzag, we hebben borstbeelden van
Griekse en Romeinse aristocraten, kunstwerken van Napoleon, etc. We hebben
beschrijvingen van gezichtskenmerken, hoogte, gewicht, haarlengte en kleur,
leeftijd en zelfs veel portretten van de meeste belangrijke historische
figuren. Maar van Jezus hebben we niets. Nergens in de bijbel vinden we een
beschrijving van de menselijke vorm van Jezus. Hoe kunnen we vertrouwen op de
Evangeliën als het woord van Jezus, als niemand kan beschrijven hoe hij er
uitzag? Hoe vreemd dat niemand van de discipelen vastlegde hoe hij er uitzag,
maar gelovigen hen wel toeschrijven precies te weten wat hij zei. Dit geeft ons
nog een aanwijzing dat de evangelieschrijvers alleen indirect over Jezus
gehoord moesten hebben, en uit mythen. Niet eerder dan eeuwen na het leven van
de beweerde Jezus kwamen er in christelijke culten afbeeldingen te voorschijn
van hoe hij er uitgezien moest hebben, en deze verschilden onderling van een
blonde, gladgeschoren, krulharige Apollo-achtige jongeling (in de Romeinse
catacomben gevonden) tot een Italiaan met lange baard, zoals hij nu nog wordt
afgebeeld. Dit weerspiegelt het patroon van de Griekse mythologische figuren,
waarbij de gelovigen hun goden ook vorm gaven volgens hun eigen culturele
klimaat.
Historische figuren hebben
ons eigentijdse bewijzen nagelaten, maar voor Jezus hebben we niets. Als we een
faire vergelijking willen maken van het type informatie dat we over Jezus
hebben met dat van een voorbeeld van gelijke historische waarde, kunnen we dat
heel goed doen dan door Jezus te vergelijken met de mythische figuur van
Hercules.
ALS JEZUS ZOU HEBBEN BESTAAN, WAAROM
HERCULES DAN NIET?
Als men informatie van
horen zeggen en uit verhalen door gelovigen accepteert als historisch bewijs
voor Jezus, waarom zou men dan niet consequent zijn door ook geloof te hechten
aan andere verhalen gebaseerd op horen zeggen en geloof?
Om maar een voorbeeld te
noemen, onderzoek eens het bewijs voor Hercules in de Griekse mythologie en u
zult zoveel opmerkelijke overeenkomsten vinden met de bewijzen voor de
authenticiteit van Jezus, dat het ontkennen van het bestaan van Hercules door
apologeten gelijk staat aan het ontkennen en tegenspreken van de methodologie
die zij zelf voor het bestaan van Jezus toepassen.
HERCULES
Merk op dat de
mythe van Hercules op veel gebieden overeenkomt met die van Jezus. Hercules
werd geboren als mens door de verbintenis van de god Zeus met de sterfelijke en
maagdelijke Alcmene, zijn moeder. Net zo als Herodus Jezus wilde doden, wilde
Hera Hercules doden. Net als Jezus, bereisde Hercules de aarde als sterfelijk
wezen om de mensen te helpen, en verrichtte hij wonderbaarlijke daden. Net zo
als Jezus stierf en weer opstond om naar de hemelen te verrijzen, stierf
Hercules en verrees naar de top van de berg Olympus en werd god. Hercules is
een voorbeeld van waarschijnlijk de meest populaire held in het oude
Griekenland en Rome. Men geloofde dat hij werkelijk geleefd had, vertelde
verhalen over hem, vereerde hem en wijdde tempels aan hem.
Op deze wijze komen de
zogenaamde bewijzen voor het bestaan van Hercules sterk overeen met die voor
Jezus. We hebben oude verslagen van Hesiodus en Plato die Hercules noemen. Net
zo als de Evangeliën verhalen vertellen over Jezus, zo hebben we de epische verhalen
van Homerus die het leven van Hercules verbeelden. Ook Aesopus vertelt verhalen
over Hercules en citeert zijn woorden.
Christenen mogen graag de
korte vermelding van Jezus door Josephus in Antiquiteiten citeren, maar hoeveel
christenen zouden zich er van bewust zijn dat hij veel vaker naar Hercules
verwijst? (zie: Antiquiteiten 1.15; 8.5.3; 10.11.1) En net zoals Tacitus Jezus
noemt, noemt hij ook Hercules heel vaak in zijn Annalen. En nog het
belangrijkste, net zo min als we artefacten, geschriften of ooggetuigen hebben
van Hercules, hebben we die van Jezus. Alle informatie over Hercules en Jezus
stemt van verhalen, geloof en horen zeggen. Zouden we dan moeten geloven in een
historische Hercules, gewoon omdat historici uit de Oudheid hem noemen en omdat
we verhalen en geloof over hem hebben? Natuurlijk niet, en hetzelfde moet voor
Jezus gelden als we historie op consequente wijze onderzoeken.
Sommige critici betwijfelen
of een historische Jezus zich wel kon ontwikkelen uit een mythe, omdat zij menen
dat daar geen precedent voor bestaat. We kennen wel veel voorbeelden van mythen
ontstaan uit historie, maar voor wat betreft het omgekeerde? Deze twijfel valt
in het niet, in het licht van het meest in het oog springende voorbeeld, de
Griekse mythologie, waarvan Griekse en Romeinse schrijvers zoals Diodorus,
Cicero, Livy etc. aannamen dat er een historisch bron moet hebben bestaan voor
figuren als Hercules, Theseus, Odysseus, Minos, Dionysus etc. Deze schrijvers
plaatsten hun mythologische helden in een verzonnen historische tijdschaal.
Herodotus bijvoorbeeld, probeerde vast te stellen wanneer Hercules leefde.
Robert M. Price schrijft: Deze hele benadering kreeg de benaming Euhemerisme,
naar Euhemerus die er mee begonnen was. [Price, p. 250] Ook in de tegenwoordige
tijd zien we nog voorbeelden van beginnende gehistoriseerde mythologieen:
UFO-aanhangers wier geloof begon als een droom over een invasie van
buitenaardse wezens, die later werd uitgedrukt als een feitelijke gebeurtenis
(en waarvan sommige aanhangers zich verenigden in religieuze culten); geloof in
broodje-aap verhalen die begonnen waren als pure fictie of grap; door politici
verspreide propaganda die op fictie berust maar die door hun aanhangers geloofd
wordt. Scientology toont een flagrant modern voorbeeld van een door een
sciencefiction schrijver begonnen cultus, die zich binnen vijftig jaar
ontwikkeld heeft tot een volwassen religie!
Men beschouwt Hercules en
de overige Griekse goden als mythen omdat men niet meer gelooft in de Griekse
en Romeinse verhalen. Wanneer een civilisatie uitsterft, sterven hun goden ook.
Het christendom en zijn kerkelijke autoriteiten echter, oefenen nog steeds een
machtige invloed uit op regeringen, instellingen en onderwijs. Voor iedere
onderzoeker die onderzoek naar Jezus uitvoert, zelfs voor sceptici, geldt dat
zij ten minste hiermee rekening moeten houden, omdat zij anders toekomstige
financiële steun op het spel zetten, hun reputatie geschaad kan worden, of hun
christelijke vrienden van zich vervreemden. Het christendom is totaal
afhankelijk van een historische Jezus, en zal daarom zelfs ook de meest
onbetrouwbare bronnen tot het uiterste blijven verdedigen. De gelovige wil in
Jezus geloven, en geloof alleen kan intellectuele barrières oprichten, die
zelfs tot in het atheïstische en seculiere denken kunnen doordringen. We hebben
zoveel christelijke professoren, theologen en historische zogenaamde experts in
de wereld die ons voorhouden dat we een historische Jezus moeten accepteren,
dat als dit maar vaak genoeg herhaald wordt, zelfs de meest volhardende
scepticus wel moet beginnen te twijfelen. Het vaststellen van de geschiedenis
moet nooit alleen berusten op wat deze experts aanvoeren, of op hun reputatie
als historicus. Als een geleerde een historisch feit beweert, moet zijn aanname
primair berusten op bewijs zelf, en niet alleen omdat hij of zij dat zegt.
Feiten vereisen geen geloof. En terwijl geloof comfortabel stand kan houden
zonder enig bewijs, zijn feiten afhankelijk van bewijs.
WAAROM DAN TOCH DE MYTHE VAN JEZUS?
Sommige mensen geloven
werkelijk, dat juist omdat er door de eeuwen heen zoveel gesproken en
geschreven is over de figuur Jezus, dit moet beteken dat hij dan ook wel
geleefd moet hebben. Dit argument houdt geen stand. Het aantal mensen dat iets
gelooft of daar over schrijft, of hun academische graad, zegt nog helemaal
niets over dat feit. Feiten worden afgeleid van bewijs, niet van horen zeggen,
niet van overmoedige geleerden, en zeker niet van getrouwe gelovigen.
Onverschillig de positie of het aanzien van een geleerde, gelovige of priester,
als die persoon zijn hypothese niet kan steunen met goed bewijs, kan het
slechts een hypothese blijven.
Hoewel de mogelijkheid
bestaat dat een werkelijke Jezus ooit heeft bestaan, bestaat de mogelijkheid
ook dat een mythologie ontstaan is uit eerdere mythologieën. Ofschoon we geen
bewijs hebben voor een historische Jezus, hebben we in ieder geval voorbeelden
te over uit de mythologieën van het Midden-Oosten en Egypte in de eerste eeuw
en eerder, die gelijk schijnen te zijn aan het verhaal over Jezus de Verlosser.
Als u de antieke
geschiedenis kent, weet u dat net voor en tijdens de eerste eeuw de Joden
geloofden in een profetie volgens de Joodse geschriften, over een ophanden
zijnde Messias. Dat geloof beïnvloedde veel van hun volgelingen. We weten dat
een krachtig geloof kan leiden tot zelfvervullende profetieën, en in oude
tijden was dit zeker waar. Een tekst in de Joodse Bijbel met de belofte van een
einde der tijden met een Verlosser die hen naar het beloofde land zou leiden,
leefde als een populaire droom onder het volk. En de Romeinse administratie
meldt dan ook executies van verscheidene pseudo-Messiassen (maar geen enkel
woord over Jezus). Veel mensen geloofden destijds dat er een beslissende oorlog
zou komen tegen de Zonen der Duisternis, de Romeinen.
Deze profetie zou heel goed
gediend kunnen hebben als ontsteking en vlam voor de toekomstige groei van het
christendom. Samen met de heidense mythen van die tijd zou het een verklaring
kunnen geven van hoe een dergelijke religie zich kon vormen. Veel van de
Helleense en heidense mythen vertonen een dergelijke grote overeenkomst met de
Jezus mythe, dat het negeren van deze overeenkomst gelijk zou staan aan het
negeren van mythologische geloven in de menselijke geschiedenis. Tientallen
soortgelijke Verlosser verhalen plantten zich voort in de menselijke geest,
lang voor het veronderstelde leven van Jezus. Want praktisch niets betreffende
Jezus Christus berust op een origineel denkbeeld van de vroege christenen.
De religie van Zoroaster
die ongeveer in 628-551 v.C in het oude Perzië opkwam, inspireerde de mensheid
tot de noodzaak van het haten van een duivel, het geloof in een paradijs, een
laatste oordeel en opstanding uit de dood. De religie van Mithras, een
afgeleide hiervan, beïnvloedde waarschijnlijk het vroege christendom. De Wijzen
uit het Oosten die in het Nieuwe Testament genoemd worden, waren waarschijnlijk
priesters van Zoroaster. Merk op dat het woord paradijs komt van het Perzische
pairidaeza.
De Egyptische mythische
Horus, god van licht en goedheid heeft ook veel parallellen met Jezus. [Leedom;
Massey]
Een paar voorbeelden:
Horus en de Vader zijn één;
Horus, de Vader gezien in de Zoon;
Horus, licht van de wereld, voorgesteld door een symbolisch oog, het teken van
verlossing;
Horus diende de weg, de waarheid, het leven door zijn naam en in persoon;
Horus gedoopt met water door Anup (Jezus gedoopt met water door Johannes)
Horus de Goede Herder;
Horus als het Lam (Jezus als het Lam);
Horus als de Leeuw (Jezus als de Leeuw);
Horus geïdentificeerd met het Tat kruis (Jezus met het kruis);
De drie-eenheid van Atum de Vader, Horus de Zoon en Ra de Heilige Geest;
Horus de Wreker (Jezus die het zwaard brengt);
Horus de gekwelde
Horus als het eeuwige leven;
De twaalf volgelingen van Horus als Har-Khutti (de twaalf discipelen).
Osiris, Hercules, Mithras,
Hermes, Prometheüs, Perseüs en anderen laten zich elk vergelijken met de
christelijke mythe. Volgens Patrick Campbell in The Mythical Jezus waren zij
allen voorchristelijke zonnegoden, van allen werd gesteld dat ze goden voor
vaders hadden en maagden als moeders; werden hun geboortes aangekondigd door de
sterren; werden ze geboren tijdens de zonnewende van ongeveer 25 december;
waren er tirannen geweest die geprobeerd hadden ze als baby te vermoorden;
stierven ze een gewelddadige dood; stonden ze op uit de dood; en bijna allen
werden aanbeden door wijzen en wordt van hen beweerd dat ze voor veertig dagen
vastten. [McKinsey, hfdst. 5]
De voorchristelijke cultus
van Mithras had een godheid van licht en waarheid, zoon van de Allerhoogste,
die vocht tegen het kwaad, en het Woord verspreidde. De heidense mysteriën van
het Mithraïsme omvatten begrafenis in een grafgewelf, opstanding, sacrament van
brood en water (Eucharistie), het merken van het voorhoofd met een mystiek
teken, het symbool van de Rots, de Zeven Geesten en zeven sterren, allemaal
voor de opkomst van het christendom.
Zelfs Justinus de Martelaar
erkende de analogieën tussen het christendom en het heidendom. Aan de heidenen
schreef hij: 'Als wij zeggen dat het Woord, die de eerstgeborene is van God,
tot bestaan gebracht was zonder seksuele verbintenis, en dat hij, Jezus
Christus, onze leraar, werd gekruisigd en stierf, en herrees, en opsteeg naar
de hemelen; stellen wij niets verschillend voor van wat u gelooft over degenen
die u beschouwt als zonen van Jupiter (Zeus).' [Eerste Apologie, hfdst. XXI]
Haast alle mythische
weergaven van een verlossende Jezus vinden hun parallel in eerdere heidense
mythologieën die al ver voor het christendom bestonden, en in de Joodse bijbel
die we nu het Oude Testament noemen. De weergave van deze mythen zegt niets
over de historische werkelijkheid, maar zegt wel veel over de gelovigen, hoe ze
geloofden, en hoe ze hun geloof verspreidden.
In zijn boek The Jezus
Puzzle vecht de bijbelgeleerde Earl Doherty niet alleen het bestaan van een
historisch Jezus aan, maar laat hij ook zien dat documenten van vroegere
oorsprong dan de bijbelse evangeliën aantonen dat het concept van Jezus
ontstond uit niet-historische spirituele geloven in een Christus, die afgeleid
waren van Joodse geschriften en gehelleniseerde mythen over goden die
verlossing brachten. Nergens beschrijven de auteurs van de epistels in het
Nieuwe Testament een menselijke Jezus, zelfs Paulus niet. Geen van de epistels
noemt een Jezus van Nazareth als een aardse leraar of als een menselijke
wonderdoener. Nergens vinden we dat deze schrijvers woorden van Jezus citeren.
Nergens vinden we dat ze enig detail beschrijven uit het leven van Jezus op
aarde, of dat van zijn volgelingen. Nergens vinden we dat de epistelschrijvers
zelfs maar het woord discipel gebruiken (ze gebruiken natuurlijk de term
apostel, welk woord eenvoudig boodschapper betekent, zoals Paulus zichzelf
zag). Behalve voor twee welbekende interpolaties, wordt Jezus altijd
voorgesteld als een spiritueel wezen dat aan de tijd vooraf ging met God, en
dat kennis van Christus direct van God komt of als een openbaring uit de tekst
van de heilige boeken.
Doherty schrijft:
'Christelijke documenten buiten de evangeliën, zelfs van het einde van de
eerste eeuw en nog verder, geven geen aanwijzing dat er een overlevering
bestond over het aardse leven en de geestelijkheid van Jezus.
Deze vroege historische
documenten kunnen niets bewijzen over een werkelijke Jezus, maar ze tonen wel
de evolutie aan van een geloof dat ontstond uit diverse en gevarieerde
concepten van het christendom, van een zuivere spirituele vorm van Christus tot
aan een menselijke figuur die de belichaming van die geest was, zoals
geportretteerd wordt in de Evangeliën. De Nieuwtestamentische verhalen schijnen
een eclectische hutspot te zijn van Joodse, Hellenistische en heidense
verhalen, door vrome gelovigen samengesteld om een publiek op hun religieuze
overtuiging aan te spreken.'
EEN AANTEKENING OVER DATERING
De A.D. (Anno Domini, of;
jaar van onze Heer) daterings-methode is afkomstig van een monnik genaamd
Dionysius Exiguus in de zesde eeuw. Merkwaardigerwijze vinden sommigen dat een
bewijs is voor het bestaan van Jezus. Maar dit heeft daar natuurlijk helemaal
niets mee te maken. In de tijd voor de zesde eeuw gebruikte men verscheidene
andere daterings-methoden. De Romeinen gebruikten A.U.C (ad urbe condita, of
vanaf de stichting van de stad en dat was Rome).
De Joden hadden hun eigen
dateringsysteem. Dionysius besloot eenvoudig om op 1 januari, 754 A.U.C. de
tijd om te zetten naar 1 januari van het jaar 1 A.D., in overeenstemming met
wat hij dacht dat de geboortedatum van Jezus was. Hij berekende die datum uit
informatie in de bijbel, en vergiste zich. [Gould, 1995]
Waar in deze teksten bij
een jaartal de aanduiding v.C. (voor Christus) wordt toegevoegd, volgen we alleen
de hedendaagse conventie zonder naar de geboorte van Jezus te refereren, en
betekent dit dus niets meer dan bijvoorbeeld voor 754 A.U.C., hetgeen een
omslachtige aanduiding zou zijn geworden.
ENIGE CITATEN VAN WETENSCHAPPERS
Hoewel apologetische wetenschappers
geloven dat er werkelijk een Jezus op aarde geleefd heeft, ligt de reden
hiervoor voor de hand, hun christelijk geloof in aanmerking nemende. En hoewel
sommige seculiere vrijdenkers en atheïsten een historische Jezus accepteren
(maar dan zonder de wonderen), accepteren zij net zoals de meeste christenen,
het traditionele standpunt zonder verdere vragen. Maar tegenwoordig beginnen
meer en meer wetenschappers de weg te openen naar een meer kritische benadering
van het bewijs, of moeten we zeggen, het gebrek aan bewijs. Dus voor diegenen
die willen vertrouwen op een wetenschappelijke opinie, geven we hier enige
citaten van Bijbelwetenschappers uit het heden en het verleden:
'Toen de kerkelijke
mythologen hun systeem opzetten, verzamelden zij alle geschriften die zij
konden vinden en beheerden die naar goeddunken. Voor ons is het nu volslagen
onzeker of de geschriften die nu verschijnen onder de namen van Oude en Nieuwe
Testament nog in dezelfde staat verkeren als de verzamelaars zeggen ze gevonden
te hebben, of dat zij er aan toevoegden, ze verkortten of verbeterden.'
Thomas Paine (The Age of Reason)
'De wereld is al lange tijd bezig geweest met levensbeschrijvingen
van Jezus. De bibliotheek van zulke boeken is in die tijd behoorlijk gegroeid. Maar
wanneer we die beginnen te onderzoeken, springt een verrassend feit ons
tegemoet: al deze boeken hebben het over een personage waarover geen flinter
van eigentijds bewijs bestaat, totaal niets! Volgens de geaccepteerde traditie
werd hij geboren tijdens de regering van Augustus, het grote literaire tijdperk
van de natie waarvan hij onderdaan was. In het tijdperk van Augustus floreerden
historici; er waren dichters, redenaars, critici en reizigers in overvloed.
Toch noemt niemand de naam Jezus Christus, laat staan enig voorval in zijn
leven.' Moncure D. Conway [1832-1907] (Modern Thought)
'Het is pas in de
betrekkelijk moderne tijd dat de mogelijkheid in aanmerking wordt genomen dat
Jezus helemaal niet tot de geschiedenis behoort.' M.Robertson (Pagan
Christs)
'Of men hem nu beschouwt
als God die mens gemaakt werd, of als mens die goddelijk gemaakt werd, deze
figuur heeft nooit als mens bestaan.'
Gerald Massey's Lectures: Gnostic and
Historic Christianity, 1900
'We weten praktisch niets
over de personen die de evangeliën schreven welke we nu Mattheüs, Marcus, Lukas
en Johannes noemen.' Elaine Pagels, Professor in Religie aan de Princeton
Universiteit (Adam, Eve and the Serpent)
'We kunnen ons een beeld
vormen van het bereik van de wereld waarin hij leefde, maar buiten de
christelijke geschriften kunnen we hem historisch niet binnen deze wereld
plaatsen.'
Gerald A. Larue (The Book Your Church Doesn't Want You To Read)
'De evangeliën zijn zo
anoniem dat hun titels, allen aannames uit de tweede eeuw, alle vier verkeerd
zijn. In de verste verte geen kennis van een kennis van Jezus zijnde, schreef
Markus vanuit de vierde generatie na Jezus, Markus kende duidelijk geen enkele
ooggetuige van Jezus.'
Randel McCraw
Helms (Who Wrote the Gospels?)
'Alle vier evangeliën zijn
anonieme teksten. De bekende toeschrijvingen van de evangeliën aan Mattheüs,
Markus, Lukas en Johannes zijn in het midden van de tweede eeuw en later
ontstaan en we hebben geen goede historische reden om deze toeschrijvingen te
accepteren.'
Steve Mason, Professor in de Klassieken, Geschiedenis en Religieuze Studie aan
York Universiteit in Toronto. (Bible Review, Feb. 2000, pag. 36)
'Ook dient de vraag gesteld
te worden of we werkelijk de feitelijke woorden van Jezus in enig evangelie
hebben.' Bisschop John Shelby Spong
'De meeste moderne bijbelse
archeologen zijn er nu van overtuigd dat het dorp Nazareth niet bestond ten
tijde van de geboorte en jeugd van Jezus. Daar is gewoon geen bewijs voor.'
Allen Albert Snow (The Book Your Church Doesn't Want You To Read)
'Maar zelfs als bewezen zou
kunnen worden dat het Evangelie van Johannes als eerste van de vier was
geschreven, dan bestaat er nog aanzienlijke verwarring over wie deze Johannes
geweest is. Want de verscheidene stijlen van de Nieuwtestamentische teksten die
aan Johannes toegeschreven worden, het evangelie, de brieven, en het boek
Openbaringen, zijn ieder zo verschillend in stijl dat het uiterst
onwaarschijnlijk is dat zij door een persoon geschreven zijn.'
John Romer, archeoloog en
bijbelwetenschapper (Testament)
'Wat men gelooft en wat men
historisch kan bewijzen zijn gewoonlijk twee verschillende dingen.'
Robert J. Miller, bijbelwetenschapper (Bible Review, dec. 1993, pag. 9)
'Andere wetenschappers zijn
tot de conclusie gekomen dat de Bijbel het product is van zuiver menselijk
streven, dat de identiteiten van de auteurs voorgoed verloren zijn geraakt en
dat hun werk grotendeels uitgewist is door eeuwen van vertalen en aanpassen.
Jeffrey L. Sheler, (Who Wrote the
Bible, U.S. News & World Report, 10 dec. 1990)
CONCLUSIE
Geloof kan geen historische
feiten produceren, en claims die ontstaan uit niets meer dan horen zeggen
kunnen niet gelden als een oprechte poging om feiten vast te stellen. Zelfs met
ooggetuige verslagen moeten we behoedzaam omgaan. Het simpele feit dat iemand
iets beweert, betekent nog niet dat dit realiteit weergeeft. Beschouw
bijvoorbeeld eens sommige beweringen die van ooggetuigen zouden komen, van
mensen die buitenaardse wezens en voertuigen gezien zouden hebben. Niet alleen
beweren zij ze zelf gezien te hebben, bovendien komen ze met uiterst onscherpe
foto's die van alles kunnen voorstellen. Als we deze verklaringen in twijfel
moeten trekken, waarom zouden we dan verklaringen die slechts op geruchten
steunen niet nog meer in twijfel trekken? Bovendien moeten we in aanmerking
nemen dat deze geruchten van onbekende mensen in de oudheid zijn gekomen.
Ongelukkigerwijze, heeft
geloof en vertrouwen de plaats van kennis ingenomen in de geest van velen en
niets, zelfs directe bewijzen tegen de grond voor hun beweringen, kan hun
overtuiging doen wankelen. We hebben veel verhalen, mythen en geloof voor een
Jezus, maar als we de historische feiten willen vaststellen kunnen we zelfs nog
geen begin van een basiskennis opbouwen zonder op zijn minst een paar
betrouwbare ooggetuige verslagen.
Natuurlijk zou een
historische Jezus hebben kunnen bestaan, misschien losjes gebaseerd op een
levend menselijk wezen, zelfs als zijn feitelijke geschiedenis verloren is
geraakt, maar dit vertegenwoordigt pure speculatie. We hebben echter een
overvloed aan bewijzen die de evolutie van de mythe over Jezus steunen.
Praktisch ieder detail in de evangelie verhalen kwam al voor in de heidense en
joodse verhalen, lang voor de opkomst van het christendom. We hebben niet de
geringste flinter van bewijs om het historisch bestaan van een Jezus Christus
vast te stellen. We hebben alleen bewijzen voor een geloof in Jezus.
Dus als u iemand hoort
beweren dat hij of zij bewijs heeft voor een getuige van de historische Jezus,
informeer dan eenvoudig naar de geboortedatum van die getuige. Iemand die
geboren is na een gebeurtenis kan niet als getuige voor die gebeurtenis dienen,
en alleen hun woord daarvoor is geen bewijs.
BRONNEN
Briant, Pierre: Alexander the
Great, Man of Action - Man of Spirit. Harry N. Abrams, 1996
Doherty, Earl: The Jezus Puzzle -
Canadian Humanist Publications, 1999
Flavius, Josephus: Antiquities
Gauvin, Marshall J.: Did Jesus
Christ Really Live? (op www.infidels.org/)
Gould, Stephen Jay: Dinosaur in a
Haystack (hfdst.2) - Harmony Books, New York, 1995
Graham, Henry Gray , Rev.: Where
we got the Bible - B. Heder Book Company, 1960
Graves, Kersey: The World’s
Sixteen Crucified Saviors 1875
Helms, Randall McCraw: Who Wrote
the Gospels? - Millennium Press
Iraneus of Lyon: Against the
Heresies
Leedom, Tim C.: The Book Your
Church Doesn’t Want You To Read - Kendall/Hunt Publishing Company, 1993
Massey, Gerald: Gerald Masseys
Lectures, The Historical Jezus and Mythical Christ 1900
McKinsey, C. Dennis: The
Encyclopedia of Biblical Errancy - Prometheus Books, 1995
Metzger, Bruce: The Text of the
New Testament, Its Transmission, Corruption, and Restoration - Oxford
University Press, 1968
Pagels, Elaine: The Gnostic
Gospels - Vintage Books, New York, 1979
Pagels, Elaine: Adam, Eve and the
Serpent - Vintage Books, New York, 1988
Pagels, Elaine: The Origin of
Satan - Random House, New York, 1995
Price, Robert M.: Deconstructing
Jesus - Prometheus Books, 2000
Pritchard, John Paul: A Literary
Approach to the New Testament Norman, University of Oklahoma Press, 1972
Remsberg, John E.: The Christ -
Prometheus Books
Robertson, J. M.: Pagan Christs -
Barnes and Noble Books, 1996
Romer, John: Testament: The Bible
and History - Henry Holt and Company, New York, 1988
Schonfield, Hugh Joseph: A History
of Biblical Literature - New American Library, 1962
Spong, Bishop Shelby: Rescueing
the Bible from Fundamentalism - Harper San Francisco, 1991
Tacitus: Annals
Wilson, Dorothy Frances: The
Gospel Sources, some results of modern scholarship - London, Student Christian
Movement Press, 1938
The Revell Bible Dictionary
Wynwood Press, New York, 1990
King James Bible 1611
U.S. News & World Report, dec.
10, 1990
Various issues of Bible Review
Magazine, published bij the Biblical Archaeology Society, Washington D.C.
_____
Grappig hoe er toch steeds weer mensen zijn die denken dat ellenlange betogen houden een aanduiding is van de waarheid van hun beweringen. We weten al langer dan vandaag dat het ontbreken van bewijs daarom nog geen bewijs is van het tegenovergestelde, maw het feit dat er geen bewijs is van een historische Jezus bewijst niet dat er nooit een historische Jezus zou geweest zijn. Natuurlijk mag men twijfelen over het bestaan van een historische Jezus, dat doet echter niets af aan de invloed die dat Jezus-geloof heeft gehad in/op de wereldgeschiedenis.
BeantwoordenVerwijderenEn dat is natuurlijk - historisch gezien - het enige relevante voor de huidige samenleving.